Onrechtmatige uitspraak door de Rechtbank Den Haag in een reeds ingetrokken beroepsprocedure.
Op 1 september 2025, ruim voor enige geplande zitting, zag ik mij genoodzaakt het door mij op 2 januari 2025 bij de rechtbank Den Haag ingestelde beroep tegen de beslissing van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) in te trekken conform artikel 6:21 lid 1 Awb.
Door deze formele intrekking was de procedure geëindigd en bestond er procesrechtelijk geen aanhangig geding meer waarop nog inhoudelijk kon worden beslist.
De handelwijze van de rechtbank voorafgaand aan deze intrekking heeft mij feitelijk belet effectief deel te nemen aan de procedure en mijn standpunt adequaat te verdedigen. Dit levert een structurele schending op van de goede procesorde en het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM), in het bijzonder doordat:
• Volledig gebrek aan communicatie: Na mijn betaling van het griffierecht bleek geen enkele communicatie met de rechtbank meer mogelijk; ieder schriftelijk verzoek van mijn zijde werd door de rechtbank stelselmatig genegeerd.
• Onmogelijke reactietermijn zittingsdatum: Pas op 17 juni 2025 ontving ik een brief d.d. 6 juni 2025 van de rechtbank — verzonden per niet-gedateerde massapost (PostNL Port Betaald / Port Payé / Pays-Bas) — waarin wordt meegedeeld dat het voornemen bestaat het beroep op 17 september 2025 te behandelen. De rechtbank vermeldt daarbij dat een gemotiveerd verzoek tot wijziging van deze zittingsdatum uitsluitend binnen één week na verzending van de brief kan worden ingediend. Doordat poststukken vanuit Nederland voor bezorging op mijn woonadres in Duitsland eerst aan Deutsche Post moeten worden overgedragen, was deze fatale termijn bij ontvangst van de brief reeds ruimschoots verstreken. De rechtbank heeft hiermee geen rekening gehouden met de grensoverschrijdende postbezorging, waardoor effectieve rechtsbescherming en het tijdig indienen van een wijzigingsverzoek feitelijk onmogelijk werden gemaakt.
• Ontbrekende procesbeslissingen: Op mijn gemotiveerde verzoeken van 17 juni 2025 en 23 juli 2025 om digitaal aan de zitting te mogen deelnemen, heeft de rechtbank in het geheel niet gereageerd. Hierop is nimmer een procesbeslissing genomen. Hierdoor bleef de wijze van deelname onduidelijk en werd mij de mogelijkheid ontnomen mijn standpunt ter zitting naar voren te brengen.
• Schending hoor en wederhoor: De rechtbank hield onverkort vast aan de eis dat nadere stukken uiterlijk tien dagen vóór de zitting moesten zijn ingediend, terwijl aan mij in het geheel geen verweerschrift van de AP was verstrekt. Mijn bezwaren hierover in mijn brief van 23 juli 2025 werden genegeerd. Hierdoor werd mij de mogelijkheid ontnomen om kennis te nemen van het standpunt van de AP en daarop adequaat te reageren, hetgeen een flagrante schending oplevert van het beginsel van hoor en wederhoor (wapengelijkheid).
Met mijn formele intrekking van het beroep op 1 september 2025, waarvan de ontvangst is bevestigd door de rechtbank, was de rechtsstrijd beëindigd. Desondanks heeft de rechtbank op 2 oktober 2025 uitspraak gedaan en deze bovendien gepubliceerd op rechtspraak.nl (ECLI:NL:RBDHA:2025:18240, SGR 25/289).
In die uitspraak wordt geen enkele melding gemaakt van het feit dat het beroep is ingetrokken. In strijd met deze intrekking, heeft de rechtbank in die uitspraak het beroep inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard.
2 octobre 2025
Avis spontané